Eerst even terug naar …
Zaterdag 28 juli
Nozem en ik hebben in de namiddag de laatste training in Leiden. Je kunt dit eigenlijk al niet meer onthouden. Ik heb het je van de week ook al een keer verteld want we moeten dit keer naar een andere locatie. Daarna vraag je toch nog iets van 2 x wat we gaan doen.
Je bent eigenlijk al dagen warrig, maar je was vroeger ook niet altijd even scherp of er gewoon niet helemaal bij met je hoofd… net als ik soms… vaak. Zeker als het zaken waren waarvoor je je als man überhaupt niet interesseerde.
Daarnaast gebruik je nu ook de wietolie regelmatig en de morfine houd je ook niet altijd even scherp. Ik zie helaas niet dat je hersenen geen energie meer krijgen of – wie weet – hebben de tumoren je hersenen toch bereikt?
Ma past weer op jou. Ik wil en durf je nu bijna niet meer alleen te laten. Alhoewel, de huisarts zei woensdag nog dat het wel even zou duren: “… zijn hart en wil zijn zo sterk”.
Ma gaat naar huis en ik fiets een stukje met haar op naar AH. We praten nog wat na en ma zegt ook: “dit gaat nog wel even duren”. Lekker opbeurend. Ik word boos. Het is te zwaar voor jou, én voor mij, om op deze manier dit nog lang vol te houden.
Volgens de huisarts heb je dus een sterk hart en zou je er niet zomaar met een hartaanval tussenuit piepen.
Wat ik wel kan verwachten, weet ze niet. Wel dat je sterk bent en het nog wel even zou duren.
Ik probeer het maar gewoon te nemen zoals het is. Je er druk over maken, kost alleen maar heel veel energie.
Je wist dat ik naar de huisarts was, maar vroeg nooit waarvoor.
Ma krijgt de opdracht jou ook nog eens uit te leggen dat je je niet moet verheugen op een hartaanval, zodat je wellicht toch nog voor euthanasie kan kiezen.
Je kunt het maar beter op tijd geregeld hebben.
Helaas, dit gesprek heeft nooit plaatsgevonden.
Maandag 30 juli
De huisarts komt nog even langs voor haar vakantie. Praten gaat je moeizaam af, maar je gaat wel zitten om haar aan te kunnen kijken. Tenminste, zover als je dat kunt. Maar zo lief hoe je, zelfs nu nog, haar wilt tonen dat je haar waardeert.
Er vallen veel stiltes en je haat het als mensen dan naar je staren. Zeker als ze willen weten hoe het met je gaat en geen genoegen nemen met je dappere antwoorden. Ze doet dat dan ook niet; ze heeft je ondertussen wel door. De schat.
Opeens zeg je: “ik scheld ze boven allemaal de tyfus”.
Je bent boos. Logisch. We kunnen helaas je boosheid niet wegnemen, hoe graag we dat ook willen. We kunnen alleen naar je luisteren en je proberen te begrijpen.
Maar je zegt niet veel.
Als de huisarts vertrekt zegt ze: “ik zie je na mijn vakantie”.
Wat ik daarvan denk, mag en wil geloven, ik weet het niet.